Psalm 115

Psalm 115

“Waar is die God van hen?” Het klinkt akelig bekend. Want het wordt nog steeds gezegd, ook over ons. Het is een spottende vraag, waarmee eigenlijk gezegd wordt: die God van hen bestaat niet. Het is een vraag van buitenstaanders, heel anders dan de wanhopige roep van binnenuit die elders in de Psalmen klinkt: waar bent u God. Het antwoord van Psalm 115 is dan ook heel anders.


“Waar is die God van hen?” is geen vraag om informatie. Maar de reactie geeft wel degelijk een antwoord. Onze God is in de hemel. Hij is onzichtbaar, maar Hij kan alles, Hij is vrij om te doen wat Hij wil. Dat wordt in schril contrast gezet met de goden van de buitenstaanders: hun goden zijn van zilver en goud, werk van mensenhanden. Je kunt ze zien, vastpakken, maar ze zijn tot niets in staat. Het plaatje dat de Psalmist oproept doet denken aan Jesaja 40 en 44, waar ook de spot wordt gedreven met godenbeelden die door mensenhanden worden gemaakt.

Dit is de eerste tegenstelling in Psalm 115. Laat ze maar spotten, die volken om ons heen. Want onze God kun je wel niet zien, maar Hij is onafhankelijk, machtig. En hun goden kun je dan wel zien, maar ze stellen niets voor.

De tweede tegenstelling laat zien wat het gevolg daarvan is. Wat gebeurt er als je vertrouwt op beelden van goud en zilver, op wat door mensenhanden is gemaakt? Dan wordt je zelf net zo onmachtig. Dan heb je niets meer te zeggen, wordt je bewegingsruimte steeds minder. Terwijl als je op de Heer vertrouwt, je door Hem gezegend wordt.

Die oproep om op God te vertrouwen staat als een climax in de Psalm. Hij wordt drie keer herhaald, steeds met een antwoord, een acclamatie: “hun hulp is Hij, hun schild.” Eerst wordt het volk van Israël opgeroepen op God te vertrouwen, dan worden expliciet de priesters, de nakomelingen van Aäron genoemd en dan allen die God vrezen, die ontzag voor hem hebben. Daarmee richt die oproep zich opeens ook tot de volken. Ook de zegen van God komt voor die drie groepen beschikbaar. Niet allen voor het volk Israël, niet alleen voor de priesters, maar voor iedereen die ontzag heeft voor God, of je nou groot bent of klein.

Onze God is in de hemel, hoorden we in het begin. Dat beeld wordt aan het slot weer even opgepakt. God heeft hemel en aarde gemaakt. De hemel is zijn exclusieve terrein, de aarde heeft hij aan ons mensen toevertrouwd. Dan daalt het beeld nog wat verder af, naar het dodenrijk. Daar wordt Gods lof niet gezongen. Dat doen wij, hier op aarde. Wij zegenen God, wij maken zijn naam groot.

Want dat is het gebed waarmee Psalm 115 begint, het enige vers waarin de Psalmist zich tot God richt. Het gaat niet om ons Heer, het gaat echt niet om ons. Maar zorg dat Uw naam alle eer krijgt, vanwege uw liefdevolle genade, vanwege uw trouw.

Ik vrees dat wij ons vaak zelf het meest gekwetst en onzeker voelen als we spottende opmerkingen horen. De reactie van de Psalmist op de spot van buitenstaanders is heel anders. Heer, het gaat niet om ons, laat ze ons maar uitlachten. Maar zorg dat Uw naam de eer krijgt die hem toekomt, want u bent goedertieren en trouw. Als we daarmee durven te beginnen, durven we ook steeds meer te vertrouwen, komen we beschikbaar voor Gods zegen, beseffen we dat wij het zijn die mogen zingen. Dwars tegen alle spot in: halleluja!