Psalm 107

Psalm 107
Inmiddels werk ik alweer lang genoeg in de gevangenis om te ervaren dat veel van de mannen en vrouwen die beterschap beloofden bij het naar buiten gaan, toch weer in de fout gaan. En hoewel veel van de betrokken hulpverleners zoals casemanagers altijd weer met goede moed opnieuw beginnen met het zoeken naar de juiste nazorg, bespeur ik soms dat ze er ook niet meer in geloven. En dat kan ik begrijpen. Helemaal in het geval van Kees, dat is natuurlijk niet zijn echte naam. Na al vaker te zijn teruggevallen zou hij na detentie naar een prachtig begeleid wonen traject gaan. En met nog geen drie maanden te gaan ging hij de fout in. Alweer… Nu wilde niemand meer wat voor hem doen. Het was klaar. Hij zou op straat komen te staan, met alle gevolgen van dien.


En dat is begrijpelijk. Waarom zou je in hemelsnaam nog je best doen voor iemand die al zóveel kansen heeft gehad en die het elke keer weer voor zichzelf en zijn omgeving verpest?

Het is de eerste psalm van het vijfde psalmenboek en is onderdeel van een groepje psalmen, namelijk psalm 103-107, met als overkoepelend thema ‘dankbaarheid’. Psalm 107 is ook nauw verbonden met psalm 106, welke verwijst naar de situatie van het volk ín ballingschap, terwijl psalm 107 verwijst naar de bevrijding uit de ballingschap.

In de psalm lezen we ook over mensen die door hun eigen fouten in de problemen zijn gekomen. Na een inleiding worden in het middendeel vanaf vers 4-32 vier noodsituaties geschetst: Het ronddolen in de woestijn; het vast zitten in slavernij; worstelen met ziekte en bijna vergaan in een storm. Situaties waar de Israëlieten zich mee konden identificeren. Twee keer, in vers 11 en in vers 17 wordt duidelijk dat de oorzaak van de nood bij de mensen zelf ligt. Zij verzetten zich tegen Gods woorden en zondigden. Een terugkerende motief in de bijbel. God schenkt zijn goedheid, maar de mensen komen in opstand en doen niet wat God van hen vraagt. Keer op keer gaat het volk Israël weer de fout in. En pas als de nood écht hoog is, als er geen uitweg meer is, dán roepen de mensen tot God.

Nood leert bidden, dat zien we ook in deze psalm terug. Want tot vier keer toe lezen we in dat terugkerende refrein: Ze riepen in hun angst tot de Heer en…. De Heer strafte hen. Oh nee, dat staat er niet, of: de Heer verweet hen hun ongehoorzaamheid, nee ook niet. Toen raakte zijn geduld op… Nee, ‘hij heeft hen bevrijd uit vele gevaren’. Dát is wat er staat, vier keer. Geweldig toch, hoe Gods karakter totaal anders is dan dat van ons mensen! Waar jij klaar staat met verwijten naar je partner, omdat hij je al voor de zoveelste keer heeft teleurgesteld. En je niet meer in jezelf gelooft, omdat je je goede voornemens alweer gebroken hebt. Staat daar Gods trouw tegenover. Dát is waar we onze aandacht op moeten vestigen. In de verzen 8, 15, 21 en 31 worden we namelijk opgeroepen om de Heer te loven vanwege zijn ‘chesed’, Gods trouw, of ‘loving kindness’ zoals het in het engels wel vertaald wordt. Het wordt gebruikt om Gods verbondsliefde aan zijn volk te laten zien. In Exodus 23:6-8 presenteert de Heer zich aan Mozes als de verbondsgod en lezen we hoe Hij zich voorstelt: “De Heer de Heer! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die trouw blijft tot in het duizendste geslacht, die schuld, misdaad en zonde vergeeft maar niet alles ongestraft laat, en die voor de zonde van de ouders de kinderen en kleinkinderen ter verantwoording roept, tot in het derde en vierde geslacht.”

Op heel veel plekken in de bijbel worden deze woorden herhaald, zo is Jona bijvoorbeeld boos op God, omdat Hij genadig is met de stad Ninevé. Elke keer weer worden we bepaald bij onze Heer die zo ander is dan wij.

Dus ook al zit je in een moeilijke situatie, hetzij door je eigen verkeerde keuzes, hetzij door de omstandigheden. Deze psalm moedigt ons aan, om net zoals het volk Israel in tijden van nood, God aan te roepen en Hem om hulp te vragen. Oké, het volk kreeg ook niet altijd metéén antwoord, ze waren immers 70 jaar lang in ballingschap. Toch mogen we in volle vrijmoedigheid ons tot God keren en Hem vragen om uitredding.

Dat deden Kees en ik ook, toen hij mij zijn verhaal vertelde bij mij op kantoor. Hij was de wanhoop nabij, wíst dat het buiten mis zou gaan. En ik wíst ook dat het geheid mis zou gaan. Dit keer was ik er ook van overtuigd, ik zou hem over niet al te lange tijd weer terug zien. Maar… zei ik tegen Kees. Het is bijna Pasen en met Pasen denken we er ook aan dat God het volk Israel uit Egypte bevrijdde. Toen ze bij de zee kwamen wisten ze niet meer waar ze heen moesten. Het leger van de Farao achter hen en de zee vóór hen. En tóch gaf God een uitweg, dwárs door de zee heen. Zullen we God vragen of Hij voor jou óók een weg wil laten zien? Dat deden we, tegen beter weten in. En een week later, met Pasen, vlak voor de kerkdienst kwam hij naar me toe en vertelde hij het ongelofelijke. Je gaat het niet geloven Saskia, kort na ons gebed kwam de casemanager naar me toe met de mededeling dat ze tóch iets voor me geregeld heeft buiten. Nu kom ik niet op straat en kan het goedkomen!

Laten we de Heer loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht. Amen.