Psalm 102

Van Psalm 102 lees ik de verzen 1-6 13-19-a, 24-29

Toen Jan Rot, die onlangs overleed, te horen kreeg, dat hij nog maar kort te leven had, nam hij zich voor om die laatste maanden nog volop te leven. “Als ik om 12 uur thuis moet zijn, terwijl anderen nog door kunnen feesten, kan ik toch maar beter tot 12 uur feesten in plaats van die laatste uren ook nog in een hoekje gaan zitten” was zijn redenering. En dat heeft hij ook gedaan. Een bijzondere manier om de naderende dood onder ogen te zien, die ook veel krediet kreeg in de afgelopen tijd. Maar zo gaat het vaak niet.


Persoonlijke zorgen of verdriet om het naderende levenseinde kunnen -als ze in een groter verband staan, zoals een familiegeschiedenis- een extra gewicht krijgen. Ook onderdeel uitmaken van het grote verhaal van God met de wereld kan je extra gevoelig maken voor de ellende en pijn van het aardse bestaan. Omdat de boodschap van het evangelie is: het kan anders, het wordt anders!

De psalmist van vandaag is in grote nood. Het besef van de naderende dood, terwijl hij ziek en verzwakt is, grijpt hem ontzettend aan. Hij uit zijn noodkreet daarover tot God. Maar gaat het hier alleen om het persoonlijke levenseinde? Uit de context van de psalm blijkt, dat er meer aan de hand is. De psalmist leeft tijdens de ballingschap, in den vreemde. Hij heeft de jaren afgeteld. 70 jaar, dat had de profeet Jeremia toch gezegd? Nu zou er toch onderhand een einde aan moeten komen. Uw dienaren hebben de stenen van Sion lief, bidt hij. Hij is zo’n dienaar, ach wat zou hij er niet voor over hebben om Jeruzalem te zien herrijzen! Het zal toch niet zo zijn, dat hij dat niet meer zal meemaken! Zou oud is hij toch nog niet? Maar hij is zo ziek! God, u laat mij toch niet hier achter?

Maar gaandeweg de psalm beseft de psalmist dat -ook al blijft het mogelijk aan zijn oog onttrokken- Gods beloften blijven staan. Dat wil hij vastgelegd hebben voor het nageslacht! Want als het niet voor hem is weggelegd, dan toch zeker voor hen! Eens zal de Heer zich weer in ontferming buigen, opnieuw zal Hij de bevrijder zijn van zijn volk. En terwijl zijn gebed begon als een persoonlijke klacht, verandert het in voorbede voor de gemeenschap en de hele wereld. Wordt het een eschatologische uitroep, met Sion als de plaats waar alle volken God zullen loven.

Toch is dat niet voldoende om hem uit zijn persoonlijke nood op te richten. Hij keert in het vuur het gebed weer terug naar zijn eigen benauwenis. Het contrast tussen de stralende toekomst en zijn eigen misere is wel erg groot. Ik smeek u, neem mij niet midden in het leven weg! Maar ook dat gebed verandert, dit keer in het besef, dat het menselijk leven uberhaupt maar een oogwenk is. Als een druppel in de oceaan, een zandkorrel in de woestijn, een blaadje in de wind. Zelfs de hele schepping, de aarde en hemel zijn maar tijdelijk, inwisselbaar, dus. De enige die blijft is God.

Deze God, die altijd blijft, is er ook, terwijl de psalmist de ballingschap te lang vindt duren, terwijl hij bang is om te sterven zonder te zien wat beloofd is. Dat Gods liefde eindeloos is, dat die zelf de brug zal zijn naar het onbekende land van de dood. Dat, wat er ook gebeurt, hij zijn God is en blijft, en ook die van zijn kinderen.

Dat is de boodschap voor ons, vandaag. Al vergaat zelfs de aarde en de hemel, er is maar een God waaraan je je volledig kunt toevertrouwen, en ook al degenen die jou lief zijn. Het is heel fijn om te kunnen zeggen, dat je leven een feest is, ook al nadert het einde, dat gun je iedereen! Maar de beloften van Gods liefde gaan daar bovenuit, ongeacht jouw levensgeschiedenis, je succes en je falen, je geluk en je verdriet, welke balans eruit op te maken valt. Met Hem kunnen we het leven aan.