Psalm 99

Lezen: Psalm 99

Soms zijn er in ons land van die groots opgezette huldigingsmomenten. Waarbij er iets te vieren is en waarbij er vooral veel mensen bij elkaar zijn, samen feesten en luidkeels zingen en roepen. Zelf volg ik het voetbal een beetje en moet dan bijvoorbeeld denken aan zo’n huldiging bij het landskampioenschap of als het Nederlandse elftal door de grachten van Amsterdam vaart. Maar denk ook aan die sporters van de olympische en paralympische spelen die medailles hebben gehaald en gehuldigd worden. Of denk aan volksfeesten zoals met Koningsdag of bevrijdingsdag.


Psalm 99 roept op om hulde te brengen, in vers 5 en vers 9. Hulde brengen aan God. Omdat Hij heilig is. Omdat Hij koning is. Omdat Hij groot, geducht en machtig is. Maar… laten we beginnen bij het begin. In de eerste drie verzen wordt onze aandacht gevestigd op God de Koning, met als gevolg dat wij mensen op de aarde, de volken, beven, sidderen. Woorden die we misschien associëren met angst, al naar gelang ons beeld van God. Maar in elk geval woorden die oproepen tot ontzag, respect en woorden die benadrukken dat God de ‘totaal andere’ is. God wordt betiteld als groot en geducht, verheven boven de volken en dan… heilig is Hij. De eerste van in totaal drie keer deze uitspraak, heilig is Hij.

Vaak is onze eerste gedachte bij heilig dat het gaat om een soort van ethische volmaaktheid. Denk aan de cynische bestempeling van iemand als een ‘heilig boontje’: het lijkt wel of iemand perfect is in al zijn doen en laten, maar ondertussen… Je kunt ook denken aan die bekende lijstjes van Paulus in bijvoorbeeld de Efeze en Kolossenzenbrief: allemaal dingen die je moet afleggen, die je moet laten, die niet passen bij het nieuwe leven wat we in Jezus hebben ontvangen. En voor je het weet ben je bezig om je eigen leven naast zo’n lijstje te leggen, af te strepen en maar hard te werken om vooral heilig te worden. Maar dit is niet wat er in Bijbelse zin met heilig wordt bedoeld.
Heilig betekent apart gezet, van een totaal andere orde. Tot drie keer toe klinkt in deze Psalm ‘Heilig is Hij’ met als laatste de toevoeging ‘Heilig is de Heer, onze God’. God is de totaal andere. God is apart. Apart in die zin dat Hij God is en geen mens. Hij is van een totaal andere orde. En de Psalm benadrukt dit door Hem Koning te noemen, groot en geducht, verheven boven de volken. En het mooie is dat vanuit Gods heiligheid, er rechtvaardigheid volgt. Het werk van God is recht en gerechtigheid. In een wereld waar het recht zo vaak geschonden wordt, met voeten getreden, is het werk van God recht. En misschien worstel je zelf met onrecht of is je onrecht aangedaan, weet dat er bij God recht en gerechtigheid is. Sterker nog: uiteindelijk spreekt Hij ook recht en moet het onrecht wijken voor zijn naam.

Dat God heilig is, van die totaal andere orde, betekent niet dat God afstandelijk is. De geschiedenis van het volk Israël wordt erbij gehaald: God sprak tot hen in een wolkkolom. Bekende namen uit de geschiedenis worden genoemd: Mozes, Aäron, Samuel – als zij riepen, antwoordde God. God antwoordt, God vergeeft, God doet recht. Maar het mooie en bijzondere in deze Psalm vind ik misschien wel dat er groots wordt begonnen: beven, sidderen, hoog verheven zijn de woorden aan het begin. Maar in vers 5, 8 en zelfs twee keer in vers 9, wordt gesproken over ‘Heer, onze God’. De Psalmist, waarschijnlijk David, besluit met het persoonlijke, intieme, nabije aspect als hij God onze God noemt. Ik lees het niet als bezit of zelfs bezitterig, maar als persoonlijk en nabij.
Groot is de Heer, geducht, machtige Koning, heilig is Hij. En tegelijkertijd onze God, nabij en persoonlijk. De ‘Ik ben’ die er altijd is en er altijd zal zijn.