Psalm 87

Het is nacht in Honolulu (Hawai) en Tony Campolo, een Amerikaanse prediker, kan niet slapen.
Hij is net aangekomen, en heeft last van een jetlag.
Dus Tony stapt uit bed, zoekt een bar op, en bestelt koffie met een donut.
Deze bar blijkt echter de ontmoetingsplek voor lokale prostitueés aan het einde van hun werkdag.


Terwijl Tony aan ongemakkelijk zijn koffie lurkt, vangt hij naast hem een gesprek op, waarin één van de vrouwen, genaamd Agnes, aan een ander toevertrouwt dat ze de volgende dag jarig is, maar eigenlijk nog nooit haar verjaardag heeft gevierd.
Tony besluit ter plekke om dit te veranderen.
Hij neemt de barman Harry in vertrouwen en samen organiseren ze een surprise party voor Agnes. 24 uur later wordt er gezongen, in het donker van de nacht en in de duisternis van een gebroken leven.
Er barst er een feest los voor Agnes, compleet met een slingers en een taart met 39 kaarsjes.

Zingen, dansen en feestvieren in een bijzondere stad,
samen met mensen die je zelf nooit zou uitkiezen.
Dat is ook allemaal aanwezig in Psalm 87.
Het gebeurt in Sion, Jeruzalem, de geliefde stad van God.

Maar God blijkt er nogal wat vreemde kostgangers op na te houden, daar in Jeruzalem.
Want Hij wil dat Rahab (wat een scheldwoord is voor Egypte), Babel, Filistea, Tyrus en Nubië geregistreerd worden als volken die in Sion geboren zijn.
Deze volken zijn voor Israël symbolen van slavernij, ballingschap, vijandschap, afgoderij en vreemdsoortigheid.
Maar God zegt dat ze door hem gewild zijn.

Natuurlijk weten we dat de lijn van het heil voor alle volken duidelijk aanwezig is in de Bijbel.
Maar het is hoogst merkwaardig om daar in Psalm 87 zo over te gaan jubelen.
Kom op zeg, we zitten in het derde psalmboek.
De teneur is er een van desillusie.
De koning van Israël is niet de nobele vredevorst - het rijk gaat ten onder - de tempel wordt verwoest…. Het verhaal van Jeruzalem dooft als een nachtkaars!
En dit alles komt tot een climax in de duisternis van Psalm 88, het absolute dieptepunt van de Psalmen.

En nog steeds is de situatie in Jeruzalem, de geliefde stad van God, allesbehalve feestelijk.
Er leven vandaag de dag dan wel verschillende volken.
Maar ze kijken elkaar niet of nauwelijks aan, terwijl de een naar de Moskee gaat, de ander naar de kerk, en de derde naar de synagoge.
De spanning is er om te snijden, hier gaat van je levensdagen geen feest losbarsten.
Integendeel, je houdt je hart vast voor explosies van een heel ander karakter.

Hoe kan er zó over Jeruzalem gezongen worden?
Hoe kan er op deze plek in het Psalmboek nog gejubeld worden?
Er hangen immers nogal wat doodsschaduwen rondom dit feestgedruis…

In Lukas 22 lees je ook over iemand die feestvierde terwijl de schaduw van de dood al over hem hing.
En tijdens dat feest wilde hij ook heel graag paar vreemde snuiters aan zijn tafel hebben.
Het zijn Zijn twaalf leerlingen, die nota bene tijdens diezelfde maaltijd elkaar nog eens in de haren vliegen naar aanleiding van de vraag wie van hen de belangrijkste is.

Toch waren ze gewild, in het gezelschap van de Heer.
En tijdens die Maaltijd, nota bene op het moment van de dankzegging, verbindt Jezus de komende duisternis met God, de Gever.
Hij labelt op dat moment zijn gebroken lichaam en vergoten bloed als goede gaven van God.
En hij zegt: blijf dit doen.
Blijf feestvieren.
Blijf dankzeggen, want zelfs in de grootste duisternis is God aanwezig als de gever van goede gaven.

En kijk om je heen terwijl je dankzegt.
Want de vreugdevolle Maaltijd van de Heer dwingt ons om naar elkaar te kijken als gewilde kinderen van God.
Ik ben gewild door God. Maar ook die ander is gewild door God.
Die zonderlinge onbereikbare ander, die vijandige hatelijke ander, die losgeslagen vrijzinnige ander, die overheersende kleinerende ander…
De ander uit Egypte, Babel, Tyrus, Filistea, Nubië…
De ander uit de Randstad, of uit Twente, of uit Limburg of uit Friesland.
Of uit Honolulu.

De Vader wil haar aan zijn tafel, en in zijn woonplaats opnemen.
De Zoon zegt dank voor het brood dat gebroken wordt, maar dat de volken verenigd.
En iedereen die eet van dát brood weet: dit is mijn moederstad, hier ligt mijn oorsprong, dit is de bron van het leven.
Dan móet je wel zingen, hoe donker het ook is.