Psalm 65

Psalm 65

Zomaar een gesprekje op een schoolplein. “Als jij mij op je feestje vraagt, dan vraag ik jou straks ook.” Dat idee van “als jij, dan ik”, van “voor wat, hoort wat,” het maken van dealtjes, zit diep in ons denken verweven. Ook het maken van dealtjes met God.
We zien het in de Bijbel. Jacob doet na zijn droom – u weet wel, over die ladder met engelen – een gelofte: “Als God voor me zorgt, als ik hier weer veilig terugkom, dan zal de Here mij tot een God zijn.” Heel gedetailleerd en heel verrassend ook, omdat God hem dat alles net in de droom al heeft beloofd…


Psalm 65 begint met ook met een gelofte die ingelost wordt. Er staat niet bij wat voor gelofte, wat er beloofd is. In het verdere van de Psalm gaat het over regen die valt, over vee dat te eten heeft, over koren op de velden. De Psalm lijkt een danklied voor al die overvloed. We zouden daarom makkelijk kunnen denken dat de psalmist een gelofte heeft gedaan om offers te brengen als er voldoende regen zou vallen. “Voor wat hoort wat”, “als u… dan ik”.

Maar dan gaan we volledig voorbij aan de manier waarop de psalmist spreekt over die oogst, over Gods omgang met de schepping. Psalm 65 spreekt in een toon van ontzag, de psalmist kijkt vol bewondering naar wat God in de schepping, in de natuur tot stand heeft gebracht. Er is geen moment sprake van God zich daarbij heeft laten beïnvloeden door een gelofte, van welke aard dan ook, die de psalmist heeft gedaan.
De regen die de vruchtbaarheid brengt, ligt in het verlengde van de bergen die vast worden gezet, van de zee die tot bedaren wordt gebracht.

Merk overigens op dat er geen moment sprake van is dat God zelf in die natuur te vinden is. We zien Gods hand, de kracht van zijn scheppingswoord, de trouw van zijn handelen. Maar God zelf staat daar boven, is er niet aan gebonden.

Gods is ook niet gebonden aan een “als u… dan ik,” aan een gelofte die nu moet worden ingelost als tegenprestatie voor Gods handelen. Gods handelen lijkt haast buiten de psalmist om te gaan, we kunnen er alleen maar in stil ontzag, in eerbiedige verwondering naar kijken.

Toch gaat het hier ook over de psalmist zelf, over ons. In vers 3 horen we: “ongerechtigheden hadden de overhand over mij;
onze overtredingen, Gij verzoent ze.”

Dat staat daar nogal verrassend, en daarom moeten we er juist niet te snel overheen stappen. Wat heeft deze schuldbelijdenis, dit getuigenis van Gods verzoenend handelen te maken met de rest van de Psalm? Misschien wel omdat de psalmist zich realiseert dat als er iets grondig mis gaat met de schepping, in de natuur, het komt door ons handelen. Dat het verre van vanzelfsprekend is dat we uitgenodigd worden op het feest in Gods huis, om te genieten van het goede dat hij geeft.

Als je daaraan denkt, mag je best even stil worden. Dat doet de psalmist ook. In het eerste vers van deze Psalm staat een Hebreeuws woord dat eigenlijk “stilte” betekent. De NBV volgt de oude Griekse vertaling. De NBG51 vertaling blijft dichter bij het Hebreeuws: “U komt stilheid toe, een lofzang.” In de berijming: “de stilte zingt u toe, o Here”. Als we met de psalmist kijken naar de manier waarop God onze zonden verzoent, dan worden we stil. Geen dealtjes met God, geen “als u .. dan ik”. Het hoeft ook niet, Hij nodigt ons zelf wel op zijn feest.

De stilte zingt u toe, o Here. En in die stilte kijken we vol ontzag hoe God de zeeën bedaart, de golven en uiteindelijk ook de volken. En in die stilte horen we hoe de bergen en de heuvels juichen en zingen.