Psalm 50

Iedereen die een muziekinstrument speelt weet dat er een groot verschil bestaat tussen het op het juiste moment spelen van alle noten en het maken van muziek. Die eerste vereist soms jarenlange discipline en oefening met vingers of lippen om het instrument te leren bespelen. Maar echt muziek maken gaat verder dan de juiste aanslag. Het is met heel je hart betrokken zijn bij wát je speelt. Een goede muzikant kan haar publiek raken, omdat de muziek die ze maakt haar zelf raakt.


Het volk Israël heeft, als het gaat om offeren en de tempeldienst dat eerste stevig onder controle. Alle dagen worden precies op tijd de verschillende offers gebracht. Dat beaamt ook God: Ik klaag je niet aan om je offers, Nooit dooft voor Mij het offervuur.
Maar waarom klaagt God Zijn eigen volk dan wel aan?

Het is een grootse scene die Psalm 50 ons voorhoudt. Een setting van een rechtbank waarbij God rechter is, de hemel en aarde getuigen en Zijn eigen volk de beklaagde.
De woorden en beelden die in de eerste verzen naar voren komen, doen sterk denken aan het volk dat zich in Exodus rondom de berg Sinaï had verzameld waar God in al Zijn glorie met vuur en wolken en bliksemschichten verscheen aan Mozes.
Toentertijd om de wet aan het volk te geven. Een wet die niet bedoeld was om koel en strikt en op exact de juiste tijd nageleefd te worden, alsof de wet zelf het doel was. Maar goede richtlijnen waardoor relatie tussen mensen en God mogelijk werd.

Dat is nu exact het punt in psalm 50. Die hele offercultus was iets mechanisch geworden, een plicht om na te volgen, een to-do lijst om dagelijks zakelijk af te werken. Maar dat was niet het doel. God zegt terecht dat Hij al die stieren en bokken niet nodig heeft. Alsof God wanneer Hij honger en dorst zou hebben, van mensen afhankelijk zou zijn. Heel de schepping behoort Hem immers toe?

Nee, het offeren was bedoeld om de mens bewust te maken van zijn positie tegenover God. Als genoegdoening voor zonde en gebrokenheid die in ieder mensenleven zit. Als middel om de verstoorde relatie tussen mensen en de Heilige God, opnieuw mogelijk te maken.

Maar het middel was het doel op zich geworden. God wijst het volk hier, en op zoveel andere plaatsen in het Oude Testament op wat Hij werkelijk verlangt van Zijn kinderen, hun hart. Op zoveel plaatsen in de bijbel wordt duidelijk dat bij God woord en daad nooit van elkaar gescheiden kunnen worden. Woord en daad, Dabar heet dat in het Hebreeuws.
God zei: er moet licht zijn, en er was licht. Woorden scheppen, woorden mogen rijmen met handelingen. Dat mag ook gelden voor mensen.

God klaagt Zijn volk aan omdat het offert of het een lieve lust is en ondertussen naasten vervloekt, overspel pleegt en bedriegt. Dat past niet bij elkaar. Dat maakt offeren hol en betekenisloos. 

God als rechter, als wreker is een beeld dat we misschien liever vermijden. En toch, zelfs in die harde woorden komen van een hemelse Vader die Zijn kinderen vooral wakker wil schudden. Het kan anders, en God laat zien hoe.

Dat laatste vers geeft ons een kijkje in het hart van God zelf:
Wie een dankoffer brengt, geeft Mij alle eer,
Wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.

Eugene Peterson die in zijn vertaling van de bijbel, the message, soms zo haarfijn uitlegt wat de essentie is, vertaalt het zo:
As soon as you set foot on the Way, I’ll show you My salvation.
Zodra jij 1 voet zet op de goede weg, toon Ik je Mijn genade.

Iemand schreef ooit: hoe ver je ook bij God vandaan bent geraakt, het is altijd maar 1 stap terug naar Hem.

En dus is de psalm vooral ook een gepassioneerde uitnodiging om opnieuw met hart en ziel betrokken te zijn op het verbond dat God met je sloot.

De Heer maakt het zelfs concreet:
Breng God een dankoffer, Roep Mij te hulp in tijden van nood.

God wil aanbeden worden. Hij verlangt ernaar dat we een loflied voor Hem zingen, iedere dag. Een lied uit het hart.

Ik hoorde een tijd geleden van een kennis die werkt bij Tot Heil des Volks in Amsterdam dat zij ieder jaar een kerstviering organiseren voor en door daklozen. Zij beelden het kerstverhaal uit, lezen eruit en zingen liederen voor God.

Dat zijn geen gelikte diensten. Geen liturgieën die van A tot Z precies gecomponeerd zijn.
Er spreekt een hele duidelijke rauwheid van het leven doorheen.

En zingen doen ze niet altijd even zuiver, lang niet altijd perfect op toon. Maar als je het ziet en hoort weet je: dit is oprecht en dit komt rechtstreeks uit het hart.

En volgens mij klinkt God dát als muziek in de oren.