Psalm 68

Psalm 68: 1-11, 20-21, 25-28, 33-36

 
In een onderzoek naar favoriete gezongen Psalmen in januari j.l. eindigde Ps. 68 op de 3e plaats. In een toelichting bleek wat ik direct vermoedde, namelijk dat het deze 3e plaats geheel en al aan het bekende 10e couplet van de berijmde versie uit 1773 te danken had:
 
Geloofd zij God met diepst ontzag! Hij overlaadt ons, dag aan dag, met Zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid; wie zou die hoogste Majesteit dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons een God van heil; Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil, ons 't eeuwig, zalig leven;
Hij kan, èn wil, èn zal in nood, zelfs bij het naad'ren van den dood, volkomen uitkomst geven.

Dit was vaak het enige couplet dat in de kerk gezongen werd en in elk geval het enige dat in familieverband nu en dan werd aangeheven, bijvoorbeeld bij huwelijksjubilea of op verjaardagen bij een kroonjaar. Zelf herinner ik me vooral de scène in de klassieke TV-serie ‘Bartje’ uit 1972, waarin het arbeidersgezin in een zeldzaam moment van geluk en harmonie dit couplet à capella zingt. Dat gebeurt in de derde aflevering met de dubbelzinnige titel ‘Het Onweer’, want vlak na dit tedere moment vallen de boer en zijn vrouw binnen met een valse beschuldiging en komt het tot een dramatische ontknoping. Misschien dat juist daarom dit couplet zo bij mij is blijven hangen.

Toch omvat Psalm 68 veel méér dan alleen deze bekende woorden en je mist nogal wat als je je daartoe beperkt. Het is een bonte, feestelijke stoet die hier in deze Psalm voorbij trekt, een optocht tot eer van God, vol gejuich en gejubel. Opgetogen trekt men langs de geschiedenis van Israël, van uittocht en woestijntocht, via de verovering van het land en de tijd van de richters, tot de tijd van David en Salomo en de tempel. En daar bij die tempel, bij het heiligdom waar God voor eeuwig woont (vers 17), daar komt die opgetogen feeststoet, ‘uitgelaten van vreugde’ (4), thuis. Bij Hem, die Israëls bron is (vers 27). 

Want zo zet de Psalm direct aan het begin de toon: ‘God staat op’. Dat is goed nieuws voor zijn volk en slecht nieuws voor haar vijanden. Het is een woord dat herinnert aan Gods bescherming en nabijheid in de woestijn. Het komt uit Num. 10:35, ‘Steeds als de ark verder zou trekken zei Mozes: “Sta op, Heer, en uw vijanden stuiven uiteen, uw tegenstanders vluchten voor u!” En steeds als de ark stilhield zei hij: ‘Keer terug, Heer, naar Israël!” Het is deze beschermende God die hier bezongen wordt en die getypeerd wordt als ‘vader van wezen, beschermer van weduwen … die eenzamen een thuis geeft en gevangenen vrijheid’ (6-7); die het opneemt voor de zwakken (11), de vrouwen (13) en de jongste, letterlijk de Benjamin (28). En  aan het einde van de Psalm wordt gezegd dat alle koninkrijken van de aarde voor Hem zullen zingen en zijn macht erkennen. En zo kort en krachtig als de Psalm begint – ‘God staat op’ – zo kort en even krachtig eindigt hij: ‘Geprezen zij God!’ Daarmee is het hele verhaal vertelt, de hele optocht verklaard, de reden van de uitgelaten vreugde gegeven.

Maar dan is het misschien toch niet zo gek dat dat tiende couplet zo populair geworden is. Want de verzen 20 en 21, waarvan couplet 10 de berijming is, luiden als volgt: ‘Geprezen zij de Heer, dag aan dag, deze God draagt ons en redt ons, onze God is een reddende God. Bij God, de Heer, is bevrijding uit de dood.’ Hier wordt al gepreludeerd op de lofprijzing aan het eind. De Heer mag dag-aan-dag geprezen worden, want Hij is het die ons dag-aan-dag draagt. Je kunt het op beide manieren vertalen: ‘Geprezen zij de Here, dag aan dag draagt Hij ons’ (NBG51) en ‘Geprezen zij de Heer, dag aan dag, …deze God draagt ons’ (NBV). Een woord om met je mee te dragen, en om door gedragen te worden. Ook vandaag.