Psalm 56

Psalm 56

Een van mijn kleindochters heeft een eigen schatkist. Een mooi versierd doosje waarin ze alle kostbaarheden bewaart die ze niet kwijt wil: mooie stenen, schelpen, stickers e.d. Zelf had ik als kind een sigarenkistje waarin ik kostbaarheden bewaarde. Ook stenen en schelpen, maar ook oude munten en zeldzame postzegels herinner ik me. Wat kostbaar voor je is, bewaar je en koester je.


Deze Psalm spreekt over Gods kruik, waarin Hij onze tranen opvangt en bewaart. Het gaat hier waarschijnlijk om een zak van geitenleer waarin men melk, wijn of water bewaarde. Melk en wijn waren luxe producten, daar was je zuinig op. Maar water was middenin de woestijn minstens zo kostbaar; daar wilde je niets verloren van laten gaan. Het ging dus om een inhoud waar je zuinig mee omging, omdat ze kostbaar voor je was. Zo zijn blijkbaar onze tranen kostbaar voor de Here God. En dat is weer een kostbare gedachte.

Deze Psalm heeft duidelijk de trekken van een klaagpsalm, vol bedreiging, angst en vijanden, maar is tegelijk ook een Psalm van vertrouwen. Dat is goed zichtbaar in het refrein in de verzen 5 en 11: ‘Op God, wiens woord ik prijs, op God vertrouw ik, angst ken ik niet, wat kan een sterveling mij aandoen?’ Terwijl vers 4 met angst begint en spreekt over ‘mijn bangste uur’, eindigt vers 5 met ‘angst ken ik niet’. Daartussen zit Gods woord; dat maakt het verschil.

Dit refrein van vertrouwen omgeeft als gezegd woorden van dreiging, krenking en strijd. Volgens het opschrift gaat het om de periode dat David in Gat gegrepen was door de Filistijnen. Dat is de periode dat hij voortdurend op de vlucht is voor Saul die hem wil doden, ook al was hij gezalfd door Samuël als diens opvolger. Een periode die wel zo’n 10 jaar heeft geduurd. Er zat dus een flink gat tussen Gods belofte en de werkelijkheid. In plaats van dat David stevig en vast zit op een troon, zwerft hij van hot naar haar, beter gezegd van Nob naar Gat naar Engedi, en verder. Geen koning, maar een zwerver.

Ken je dat? Dat leven met God en geloven in Hem je op heel andere plekken brengt dan je tevoren had gedacht? Dat de vervulling van zijn beloften, de verhoring van je gebeden, maar uitblijft? Dat je eerder rondzwerft in de woestijn dan neerligt in grazige weiden? Dat is precies wat de dichter van Ps. 23 – die Psalm van die grazige weiden - hier nu in Ps. 56 ervaart. Maar hij ervaart, of misschien moet ik zeggen hij weet nog iets, namelijk dat God zijn omzwervingen kent en er letterlijk nota van neemt: ‘Mijn omzwervingen hebt u opgetekend.’ Elk zijpad, elke omweg, is opgenomen in de hemelse administratie. Calvijn vertaalt ‘U hebt mijn omzwervingen geteld’, stap voor stap, zoals we dat ook tegenkomen in Job 31:4, ‘Ziet Hij niet de wegen die ik ga, telt Hij niet al mijn stappen?’

Dit is de grote troost voor David en de omslag in de Psalm: God kent zijn zwerven, dwalen en vluchten en, nog meer dan dat, Hij bewaart al zijn tranen – zijn pijn en zijn verdriet – in zijn kruik. Als iets dat kostbaar voor Hem is en niet verloren gaat. Er is geen onverschilligheid bij God. Hij ziet, kent en gedenkt alle pijn en nood en draagt die met Zich mee in zijn kruik. Wat betekent dat?

In de eerste plaats dat Hij ons en al onze moeiten serieus neemt. Hij gaat er nooit onaangedaan aan voorbij. Ps. 10:14 zegt het zo: ‘Toch ziet u de pijn en het verdriet, u merkt het op en weegt het in uw hand.’ Maar het wordt ook bewaard. Bewaard voor de dag van het oordeel, als de dingen rechtgezet zullen worden en er recht zal worden gedaan. Geen traan zal vergeefs hebben gevloeid. Zoals we dat ook lezen in het grote slotvisioen van Openb. 21 als God ‘alle tranen af zal wissen.’ Dan is het zwerven voorbij. Dan zijn de tranen voorbij. Dan gaan de boeken open en wordt er recht gesproken. ‘Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn’ (Op. 21:4).

Zo eindigt ook Ps. 56, als een soort prelude op die grote eindmelodie van Openb. 21: ‘U hebt mijn leven aan de dood ontrukt, mijn voet voor struikelen behoed. Nu kan ik wandelen onder Gods hoede in het licht van het leven.’ Het zwerven is wandelen geworden, wandelen in het licht van Hem die alle tranen – ook jouw tranen! - bewaart in zijn kruik.