Psalm 42

Het was op een donderdagmorgen, voor me zat een vrouw. Haar ogen rood van het huilen. Dominee, ik maak me zoveel zorgen over mijn kinderen. Ik heb er vijf en nu zit ik al maanden vast zonder dat ik weet waar ik aan toe ben. Door Corona kan ik ze niet zien, want ze mogen niet met z’n allen komen en knuffelen mag sowieso niet. Ik wil ze zó graag zien! Ik houd het bijna niet meer vol.

Deze vrouw weet wat gemis is, juist omdat ze zulke mooie herinneringen heeft aan gezellige familiemomenten, is het gemis en het verlangen om met haar kinderen herenigd te worden extra groot.


In de psalm van vandaag, die eigenlijk één geheel is met psalm 43, lezen we ook over iemand met een groot verlangen naar thuis. Waarschijnlijk was hij zelf ook een Korachiet, een van de leiders van de tempelzang. Voor de Korachieten was de tempel hun thuis. Het was dé plek waar ze Gods aanwezigheid zo vaak hadden ervaren, samen met medegelovigen. Dáár wil hij zijn en weer een glimp opvangen van de Heer.

Maar daar ís hij niet. Hij is alleen en ver verwijderd van de tempel in Jeruzalem, ergens in het noorden van Israël. Hij is op de top van de Misar, bij de berg Hermon, waar de Jordaan ontspringt. Een plek met veel watergeweld.

Op die plek herinnert hij zich hoe prachtig het was om samen met broeders en zusters te zingen tot Gods eer. Maar die mooie herinnering maakt hem alleen nog maar verdrietiger.

Zoals een hinde naar water verlangt, zó sterk verlangt Hij naar die aanwezigheid van God.

Hij weet wat hij mist!

Het Hebreeuwse woord ‘Arag’ wat hier vertaald is voor smachten, wordt in Joel 1,20 vertaald met ‘roepen’ om God. Als we het zingen klinkt het zo liefelijk, maar een hinde zonder water schreeuwt het uit, want het bezwijkt snel, zo teer en fragiel als het is. Deze man schreeuwt het óók uit naar God. Hij is ontzettend depressief. Het is zelfs zo erg dat het voor hem voelt alsof dat watergeweld om hem heen, hem zélf verpletterd en dat het God is die hier de aanstichter van is.

Nee, in deze psalm horen we niet van de stok en de staf van de goede herder die hem vertroosten. In deze psalm geen happy end, want God kómt hem niet tegemoet. Zelfs niet in de vorm van een medemens die hem bemoedigend toespreekt. Integendeel, de mensen om hem heen zien in zijn situatie eerder een bevestiging van Gods afwezigheid. Spottend vragen ze “waar is dan je God”? Woorden die doen denken aan Matt. 27: 43, waar de omstanders over Jezus zeggen “Hij heeft zijn vertrouwen in God gesteld, laat die hem nu dan redden, als hij hem tenminste goedgezind is. Hij heeft immers gezegd: “Ik ben de Zoon van God”.

Toch zakt de psalmist niet weg in al die negativiteit. Het verlangen naar de goedheid van de Heer die hij eens geproefd heeft, geeft hem tegelijk de kracht om zichzelf toe te spreken. Wat ben je bedroeft mijn ziel, en onrustig in mij, vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, de God die mij ziet en kent.

Dat zijn geen loze woorden. Het zijn woorden gebaseerd op de ervaring van vroeger, het kennen van God en het gekend worden dóór God. Een prachtig beeld van een liefdesrelatie. Kennen en gekend worden, dát maakt dat hij erop vertrouwt dat er eens een einde zal komen aan deze vreselijk moeilijke tijd. Het is geen simpel truucje positief denken, maar een diep gelovig vertrouwen dat God geen theorie is, maar een levende God die naar hem omziet en dat er eens een moment zal komen waarop Hij weer in Gods aanwezigheid zal zijn.

Deze woorden doen denken aan Jezus bij het laatste avondmaal. “Vanaf vandaag zal ik niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er met jullie opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van mijn vader.” Mat 26:29. Jezus is ons voorgegaan in het vertrouwen dat er na het lijden eens een moment komt waarop we in Gods nabijheid zullen zijn en ten diepste gekend en gezien zullen worden.

Als jij je ook in zo’n uitzichtsloze situatie bevindt en je door God verlaten voelt, hoop ik dat je mét de psalmist je eigen ziel toe kunt spreken “wat ben je bedroeft mijn ziel, en onrustig in mij. Vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt.”