Psalm 32

Psalm 32

Wat raakt je in het luisteren naar deze Psalm, waar blijf je bij haken? Neem eens een moment om dat even terug te halen.

Er zit zoveel beweging in deze Psalm. Zoveel verschillende gevoelens die in deze Psalm naar voren komen, zoveel herkenning misschien ook wel.


Een van de zinnen die veel mensen raakt is: bij U ben ik veilig, U behoedt mij in nood, omringt mij met gejuich van bevrijding. Op 3 verschillende manieren komen de armen van God om je heen naar voren. God de bevrijder, God die ons beschermt tegen onze vijanden, die veiligheid geeft. Hoe vaak verlangen we hier niet naar als we zien wat er om ons heen gebeurt.

In deze Psalm is het echter anders. De vijand is niet de ander, hier gaat het om onszelf met onze eigen zonden en gebreken. Laten we bij het begin beginnen. David begint de Psalm met woorden passend bij de wijsheidtraditie:

Gelukkig, gezegend de mens, Gelukkig, als de Heer… Het lijken bijna woorden uit de Bergrede. Maar dan gaan de zinnen verder. En gaan ze over iemand die een rommel van zn leven heeft gemaakt, buiten haar boekje is gegaan. En tegelijk iemand die tot inkeer is gekomen, vergeven is, rust heeft gevonden.

Dat proces van boetedoening gaat niet vanzelf. In deze boete psalm deelt David met ons zijn eigen weg hierin. Hij heeft het hier over zijn eigen leven, misschien over zijn eigen ontrouw met Batseba, het in de vuurlinie zetten van Batseba’s man. Tegelijk is wat hij hier uitdrukt zo veel universeler en herkenbaarder. Ik herken het wel.

Het lijkt zo handig de stem van je geweten te laten zwijgen, niet voor jezelf te erkennen dat er dingen gruwelijk fout zijn gelopen. En als je dat eenmaal wegdrukt is het steeds lastiger uit dat zwijgen te komen, durf je jezelf amper onder ogen te komen. En tegelijk wordt je van binnen opgevroten, raak je uitgeput.

De enige uitweg – zegt David – is gaan naar God zelf. Mezelf niet langer verschuilen, mijn schuld niet langer ontkennen en mn zonden bekennen, ze onder woorden brengen aan God zelf.

En dan is er die zin ‘U vergaf mij mijn zonde en mijn schuld.’ Hier in die ontmoeting met God zelf ontvangt David bevrijding.

Hij weet dat de ellende dan niet over is. Hij zal ook anderen onder ogen moeten komen. Ze zullen – terecht – in volle vaart over hem heen gaan. En toch

En toch zegt hij, bidt hij, dankt hij: Bij U ben ik veilig, bij U hoef ik niet meer benauwd of angstig te zijn, U laat mij leven in vrijheid.

Op het moment dat je God alle brokken en scherven laat zien en dat God haar licht over jou laat schijnen zegt God, ik vergeef je, je bent vrij. Dan ben je niet meer je eigen vijand, dan kun je opnieuw het leven aan. Open en oprecht, geborgen in de liefde van God zelf. Opnieuw op weg met iemand die je raad geeft en je met zijn ogen volgt.

Neem nog maar eens de tijd om dat tot je door te laten dringen: Gods oog rust op jou.

David sluit opnieuw af met woorden van wijsheid. Verheug je in de Heer, mensen met eerlijke harten.