Psalm 40

Lees Psalm 40:1-18.

“In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst,” luidt een veel-gehoorde disclaimer aan het eind van reclamespotjes over geld beleggen. En hoewel dat voor financiële zaken en aandelenkoersen ongetwijfeld waar is, gaat die spreuk NIET op voor David, als hij juichend getuigt over Gods grote daden!


Veel Psalmen bewegen vanuit de klacht naar hernieuwd vertrouwen. Psalm 13 is een voorbeeld. De verzuchting ‘Hoe lang nog, HEER?’ helpt David uit te komen bij: ‘Ik vertrouw op uw liefde, mijn hart zal juichen omdat U redding brengt.’ In ons eigen leven kennen we óók momenten, dat het huilen ons nader staat dan het zingen. En toch wil je je loflied en je gebeden niet laten verstommen! Dat is de dood in de pot!
Op die momenten helpt het om eerst je moeite bij God uit te storten, om zó weer uit te komen bij de God van redding, op wie je – al worstelend en strompelend – wilt blijven vertrouwen.

Psalm 40 maakt precies de omgekeerde beweging: dit lied begint met enthousiaste lofprijzing over wat God in het verleden heeft gedaan, om daarná, in de tweede helft van de Psalm, te schakelen naar een gebed om hulp. Ook díe volgorde is legitiem! Ook óns helpt het om, als we in de put zitten, ons geloof aan te vuren door onszelf te herinneren aan al die keren dat God er in het verleden voor ons was, en uitredding gaf!

Door God te prijzen om hoe Hij er tóen was, vat ons hart de moed om ook nú op Hem te ver-trouwen, en niet weg te zinken in wanhoop. Het is preken tegen jezelf, zoals Psalm 42 doet: ‘Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. Vestig je hoop op God.’ Martyn Lloyd-Jones zei ooit: ons grootste probleem is, dat we wel naar onszelf luisteren (naar al die gevoelens die ons naar beneden trekken), maar niet tot onszelf spreken! David spreekt zijn ziel, zichzelf, áán. Hij ontkent de moeiten niet, maar kijkt ze récht in de ogen – en zingt zijn lied voor God!

Hij weet: ik heb het nú moeilijk, maar ik heb váker in het nauw gezeten. ‘Vol verlangen heb ik op de HEER gewacht, … èn gewacht, … en Hij boog zich naar mij toe. Hij heeft mijn roep om hulp gehoord.’ Als Hij het tóen kon (en deed) kan Hij het ook nú doen! Hij is nog Dezelfde. In het verleden behaalde resultaten bieden wél een garantie voor de toekomst.
De Psalm wordt omlijst door het woord ‘wachten’. In het verleden heb ik gewacht en gewacht op God, en Hij kwám! Nu is het wéér moeilijk, dus ik bid, en wacht opnieuw: ‘mijn God, wacht niet langer’.

Eerdere uitreddingen gaven mij een nieuw lied in de mond: ik had weer nieuwe redenen om te zingen! Mogen velen het zien vol ontzag en vertrouwen op de HEER. Het getuigenis over wat God heeft gedaan helpt míj niet alleen om op Hem te vertrouwen: ik zing het ook door aan ánderen, in de gemeente, en daarbuiten: in de kring van heel het volk! Dan helpt mijn getuige-nis ook hén om te blijven vertrouwen. Want: ‘Gelukkig is wie vertrouwt op de HEER!’

Hij heeft me uit de modderput gered. Mijn voeten op de vaste rots gezet. Niet één keer, maar keer op keer! ‘Veel wonderen hebt U verricht, veel goeds voor ons besloten, HEER, mijn God.’ Het is teveel om op te sommen. ‘Niemand is te vergelijken met U!’

En wat is dan mijn antwoord, de reactie die mij past? Lofprijzing. Getuigen! Vertrouwen. Maar ook: een toegewijd leven, gehoorzame navolging! Immers: God verlangt méér dan offers. ‘Hier ben ik, om uw wil te doen.’ Dat verlangen heeft God zélf opgewekt. ‘U hebt mijn oren voor U geopend,’ zegt David in vers 8 en 9, ‘en nu kan ik zeggen: Hier ben ik, over míj is in de boekrol geschreven. Uw wil te doen, mijn God, verlang ik; diep in mij koester ik uw wet.’

Wat in die boekrol staat, dat gaat over míj! Dit geldt voor de boekrol met de wet van de koning – waaraan David zich als koning gehouden wist. Maar breder mogen ook wij zeggen: Wat God in zijn woord van zijn mensen vraagt, dat vraagt Hij van míj – en ik wil zijn wil van harte doen!

In Hebreeën 10:5-7 wordt dit gedeelte uit Psalm 40 aangehaald. Daar in de Griekse Septuagint- vertaling. Die heeft in plaats van ‘U hebt mijn oren voor U geopend’ iets anders: ‘U hebt mij een lichaam bereid.’ Dit wordt toegepast op de Eeuwige Zoon van God, die kwam als een mens van vlees en bloed: Het Woord is vleesgeworden. En in dat lichaam dat God Hem had bereid, leefde Jezus met geopende oren voor God. Hij laat de toewijding zien die God van ons verlangt. Jezus wist: over Mij is in de boekrol geschreven. Zijn offer maakt de brand- en reinigingsoffers overbodig. Zijn offer is voldoende, eens en voor altijd!

En dat vraagt om een dankbaar antwoord. Paulus schrijft: met het oog op Gods barmhartigheid stellen wij onszelf als levende, heilige en God welgevallige offers in zijn dienst. Zijn gehoor-zaamheid maakt ónze gehoorzaamheid immers NIET overbodig, maar juist mogelijk! De Geest die op Hém rustte, woont nu in ieder die Hem in geloof wil volgen. Ook wíj mogen Gods wet diep binnen in ons koesteren. Ook wíj mogen beseffen: dat Woord geldt ook voor míj.

Dus neem vandaag uit deze Psalm een diep, radicaal gebed mee, om regelmatig te bidden:
‘Hier ben ik! Over mij is in de boekrol geschreven.
Uw wil te doen, mijn God, verlang ik. Diep in mij koester ik uw wet.’