Psalm 9

Gisteren lazen we in Psalm 8 hoe God de mens heeft bedoeld: bijna goddelijk gemaakt en toch: opkijkend naar de hemel, naar God die boven alles staat! Psalm 9 laat ons zien wat er gebeurt als mensen dát perspectief verliezen! Onrecht, geweld en onderdrukking voeren de boventoon in deze Psalm. 
 
Nu leven wíj (ondanks frustrerende coronamaatregelen) nog altijd in een vrij land, met rechts-bescherming op allerlei gebied. Maar: wat als die rechtsorde er NIET is? Wat als die rechtsorde faalt, zoals toen de belastingdienst duizenden mensen dupeerde in de toeslagenaffaire? Schulden stapelden zich op, je zat in de knel, maar je kon nergens in beroep gaan tegen het onrecht!
Of wat als je in Brazilië woont, waar internationale soja-bedrijven zich steeds meer hectares bosgrond toe-eigenen en ontbossen, waarbij ze weerloze armen van huis en haard verdrijven? Of wat als je in Afghanistan woont, en met lede ogen moest aanzien hoe de Taliban de macht grepen? Wat als je christen bent in Noord Korea? Of … asielzoeker in Nederland? Ook vandaag zijn er vele mensen van wie de roep om recht niet wordt gehoord.
 
Psalm 9 schetst een wereld die wíj vooral kennen van het journaal. Beelden van geweld en vluchtelingenstromen, die ons schokken! Of: beelden die je al zó vaak hebt gezien, dat je de heftigheid niet eens meer laat binnenkomen. Je kúnt er zo weinig mee, zucht je, en tijdens de reclame zou je bijna vergeten wat je hebt gezien. Ráken die beelden ons nog?
 
David is diep geraakt! Hij roept tot God: ‘Doe iets! En het liefst niet te mals alstublieft!’ Psalm 9 is een psalm met heftige woorden! Vijanden komen ten val en vergaan, volken worden bedreigd, goddelozen omgebracht, hun namen uitgewist … steden weggevaagd!
 
“Moet dat nou zo fel? Mag het ook een onsje mínder zijn?” Misschien is dát wel je eerste reactie op zoveel heftigheid. Maar waar onrecht heerst, klinkt de roep om recht! Die heftige taal komt niet voort uit blinde haat, maar uit een vurig verlangen naar een wereld waar recht heerst; waar mensen in vrede samenleven zoals God dat heeft bedoeld! David ziet onrecht en geweld: on-schuldig bloed wordt vergoten, families vluchten voor hun leven en raken alles kwijt door de terreur van machtige  mannen die zich niks aantrekken van Gods bedoelingen met zíjn wereld!
 
In vers 10 bidt David dat Israëls God een burcht zal zijn voor de verdrukten, een schuilplaats voor wie op Hem vertrouwt! Daarnaast spreekt David God aan als rechter over de aarde. Die kant van God noemen we in onze tijd niet zo vaak. We spreken liever over God als liefdevolle Vader, die van ons houdt en die vol is van vergeving. Voor David is dat geen tegenstelling: juist omdat Hij een God is van mededogen en liefde, komt de HEER op voor het recht – bestrijdt Hij de onderdrukkers en bevrijdt hij zijn onderdrukte volk. Daar klampt David zich aan vast. 
 
Onschuldig bloed wordt gewroken. In Genesis 4 lees je dat al, als Kaïn zijn broer Abel heeft ge-dood. God spreekt Kaïn aan en zegt: “Wat heb je gedaan? Hoor toch, hoe het bloed van je broer uit de aarde naar mij schreeuwt!” Onschuldig bloed roept naar de hemel! Een roep om recht, die God hoort: de noodkreet van de nederigen vergeet Hij niet. Zelfs als er geen menselijke rechter is die de misdadigers ooit zal veroordelen – God zélf doet recht!
 
God zou géén God van liefde zijn, als Hij het kwaad ongestraft liet. Hij zou géén God van trouw zijn, als Hij zijn mensen niet recht zou doen! ‘Maar God vergeet de armen niet, voor de zwakken is niet alle hoop verloren’ – weet David. Bijzonder is, dat hij niet ménsen oproept om dan maar de wapens op te nemen, maar dat hij God vraagt in te grijpen.
 
     20  Sta op, HEER, laat de macht niet aan mensen.
           Mogen de volken berecht worden in uw aanwezigheid.
     21  Jaag ze angst aan, HEER, 
           zij moeten weten dat ze mensen zijn.
 
Is dát niet precies wat de goddeloze onderdrukkers vergeten? Zij menen dat ze aan niemand verantwoording hoeven af te leggen. Zij zijn zichzelf immers tot wet? David roept God op tot actie! Hij moet die machtige mannen eens flink wakker schudden: ‘Ze moeten weten dat ze mensen zijn’ – net als hun slachtoffers!
 
‘Ze moeten weten dat ze mensen zijn’ – mensen zoals Psalm 8 ze gisteren al schetste: klein en nietig in dat immense heelal, en toch van oneindig grote waarde! Door God gezien, geroepen om in deze wereld omhoog te kijken naar God en om zich heen te kijken naar hun medemens – nederig te wandelen met de God die ons gemaakt heeft om Hem en onze medemens lief te hebben en recht te doen!
 
Wie vergeet dat niet alleen hijzélf, maar ook zijn médemens beelddrager van God is – bijna goddelijk gemaakt – ligt op ramkoers met Gods wil voor zíjn wereld. Dan verdrukt de ene mens de andere; worden rijke mensen rijker over de ruggen van de armen. Dan heerst het recht van de sterkste en de rijkste, wordt macht misbruikt, en raken kleine mensen vermalen tussen de wielen van corruptie, zelfverrijking, onrecht en geweld.
 
Deze heftige Psalm vuurt ook in óns een verlangen aan naar dat rijk van recht en vrede, dat God in zijn Woord belooft. Jezus leert ons bidden: ‘Laat uw koninkrijk komen, laat uw wil worden gedaan, op aarde zoals in de hemel.’ Tot aan die dag dat de aarde vol stroomt met Gods heerlijkheid, schakelt God óns in bij de verhoring van dit gebed. Hoe dan? Door God en onze medemens lief te hebben, en te werken aan recht en vrede op deze wereld die God zo liefheeft.
 
Amen.