Psalm 6

Hoewel niet zo massaal als enkele jaren geleden, waren er op 1 januari hier en daar toch weer zgn. Nieuwjaars duiken. In zwemkleding het water van een meer of de zee in rennen en zo het nieuwe jaar inluiden. Ik ben in de zomer al geen held bij het doorkomen, laat staan op zo’n nieuwjaarsdag. Ik kijk met bewondering naar degenen die dat durven, net als naar die mensen die elke dag beginnen met een koude douche. Mij niet gezien. Maar vanmorgen had ik er in overdrachtelijke zin toch een. Bij het lezen van deze Psalm.

Want deze Psalm heeft iets van een koude douche. Vooral de eerste vier verzen. Het gaat over Gods woede en Gods toorn en over een mens die doodsbang is, wegkwijnt, vreest voor zijn leven en zich vertwijfelt afvraagt hoe lang hij nog op God moet wachten. Ook goedemorgen!

Wat moet je hiermee? Wat kun je hiermee? Ps. 6 behoort tot de zeven zogenaamde boetepsalmen die gezongen worden op aswoensdag, aan het begin van de lijdenstijd (de andere 6 zijn resp. 32, 38, 51, 102, 130, 143). Dat klinkt wel passend. Ook in het licht van het wat raadselachtige opschrift ‘op de wijs van De Achtste’. Sommigen denken dat daarmee verwezen wordt naar een ander octaaf: een lage bastoonzetting met een sombere klank. Je vindt de uitdrukking ook boven Ps. 12, die er qua somberte ook mag wezen.

Toch zit er veel meer in deze Psalm dan alleen somberte en angst. Wat namelijk ook acht keer voorkomt in de Psalm is de aanroeping ‘Heer’. Vijf keer aan het begin en drie keer aan het slot. Dat is veel voor zo’n korte Psalm. Heer is intiemer en persoonlijker dan het algemenere God. Het is de Godsnaam die Mozes ontvangt en die de belofte draagt van ‘Ik zal er zijn’. Als je het zo bekijkt is dit eigenlijk een heel hoopvolle Psalm. Die hoop zit vooral in vers 5 en 6. David bidt dat de Heer terugkeert ‘omwille van uw trouw’, zoals er letterlijk staat. Hij doet geen beroep op iets van of in zichzelf, maar op God en zijn trouw. Heer, wilt u terugkeren, niet omdat het mij toekomt, maar omdat het past bij wie U bent. Dat is nog eens een pleitgrond, schrijft Spurgeon met uitroepteken in zijn commentaar bij dit vers.

Nog interessanter wordt het in vers 6 als David aangeeft waarom hij niet sterven wil: dan kan ik God niet meer loven! Herken je dat? God niet meer lofzingen als het grootste drama dat je kan overkomen? In feite onthult David hier iets over de diepste grond van ons bestaan. Wanneer wij niet meer in staat zijn tot lofzegging en dankbaarheid, is dat de dood in de pot. Dan hebben we eigenlijk geen leven meer. Dan wordt het leven kaal, kil en doods. ‘Wij weten,’ schrijft Calvijn in zijn Psalmencommentaar, ‘dat wij hierom op aarde zijn geplaatst: om God met één mond te loven, en dat dit het doel van ons leven is.’ Met die éne mond geeft hij aan dat het hier niet alleen gaat om het loven van een individu, van David alleen. De lofzang is een zaak van de gemeenschap, die geroepen is de lofzang op aarde gaande te houden. Zoals de tempelzangers dat deden in ploegendiensten van dag en nacht, zoals we in Kronieken lezen, en zoals dit al eeuwen in de kloosters gebeurt. Maar ook zondag aan zondag, ‘vanwaar de zon opgaat tot waar zij daalt’, over het rond der aarde. In kerken van Sydney, via New Delhi, Boekarest en Woerden, Utrecht, Amersfoort, Zetten, Koudum, Alphen, Emmen en Enschede, tot Washington en Vancouver. Is er nog toekomst als die lof verstomt? Is er nog leven als er niet meer wordt gezongen? Heeft dan het kwaad niet overwonnen? Als in het boek Openbaring de val van Babel beschreven wordt, dan wordt als teken van die ondergang onder andere gezegd dat er geen muziek en zang meer zal zijn in deze stad (18:22). Terwijl in het hoofdstuk daarna, Openbaring 19, weer volop gezongen wordt op de bruiloft van het Lam en de oproep klinkt: ‘Laat al Gods dienaren, die ontzag voor Hem hebben, jong en oud, Hem loven!’ (19:5)

Ik vind het een bemoedigende gedachte dat ik, wij, als het ware de geschiedenis gaande houden als we Gods lof zingen. En dat dit ook het kwaad in toom houdt. Let op de fierheid waarmee David in de laatste verzen het kwaad z’n plaats wijst: wegwezen! Waar de Psalm begint met zijn eigen doodsangst, nu zijn het de vijanden die beschaamd en doodsbang afdruipen. Want ‘de Heer’, tot drie(!) keer toe, ‘hoort’! De Heer is teruggekeerd. Misschien wel via het loflied. Jezelf terug zingen in Gods nabijheid. Omdat Hij trouw is. En omdat Hij hoort. Ook vandaag!