Psalm 10

We lezen vandaag Ps.10 helemaal

Je kent het misschien wel, die uitspraak dat de hemel van koper lijkt. Daarmee wordt bedoeld dat je bij wijze van spreken kunt bidden tot je een ons weegt, maar er gebeurt niets. Je hebt zo’n dringende noodzaak aan een verandering in je leven of omstandigheden, maar er gebeurt niets. Het lijkt alsof God je niet hoort. Of nog erger: je wel hoort, maar gewoon zwijgt. De hemel lijkt van koper te zijn.

Als we kijken naar Ps.10 dan zien we dit en horen we dit voor onze ogen gebeuren. Waarom Heer verbergt U zich? Zo begint de Psalmist. Om dit vervolgens te verbinden aan ongelovigen, zondaars, de mens zonder God. Het lijkt er wel op alsof je zonder God veel beter af bent! Het gaat ze goed, ze zijn rijk, alles lukt staat er zelfs in vers 5. Alles lukt? Ik dacht juist dat we al in Ps.1 hoorden dat dit juist voor de gelovige geldt? Alles lukt. En hier, nog geen 9 Psalmen verder, lijkt het de omgekeerde wereld te zijn. Het is de ongelovige die voortvarend is, die voorspoedig is. Weet je, op het moment dat de hemel van koper lijkt en God zwijgt, dan is er inderdaad de verleiding om naar anderen te kijken. Om te gaan vergelijken: ben ik wel zoveel beter af met God? Gaat het mijn ongelovige buurman of buurvrouw niet veel meer voor de wind?

En in het gebed van Ps.10 gaat het nog verder. Het wordt allemaal nog erger. Alsof je eigen situatie al niet erg genoeg is, lijkt het erop dat de ‘mens-zonder-God’ in je vijand veranderd. Voorspoed verandert in arrogantie en arrogantie verandert in vijandelijkheid. In prachtige bewoordingen wordt de vergelijking met een roofdier gemaakt: hij ligt in een hinderlaag, zijn ogen spieden, loeren naar onschuldige mensen. Zoals een leeuw loert op zijn prooi en dan ineens... toespringt, vangt in zijn klauwen en verscheurt (vers 8-10). En God? God ziet niets. God keert zijn gezicht af. De hemel zwijgt, is van koper. Zo kan het voelen. Als je worstelt met ziekte. Als je gebukt gaat onder zonde. Als je teleurgesteld of erger: gekwetst bent. Misschien voelt het wel alsof je als een weerloze prooi ligt te kermen in de grote klauwen van een alles verscheurend roofdier. Dit was het dan. Leeg. Uitgeput. Moegestreden. Overgeleverd aan de grillen van een mens-zonder-God. (...) En toch...

Na zo’n twee derde geklaagd te hebben is daar de omkeer. In vers 14 klinkt eindelijk het bevrijdende ‘toch’. Toch ziet U om... Toch hoort U... toch gebeurt er iets. Er is een barst gekomen in het koper. En het scheurt en scheurt verder. Er komt licht door, er is iets van uitzicht, misschien maar een kleine glimp van hoop, maar toch. God ziet onze pijn en ons verdriet. En God ziet het niet alleen, Hij weegt het. Hij bepaalt de zwaarte ervan en komt tegemoet. Na al het verdriet, het geklaag en gezucht en gesteun is er een doorbraak. Er vormt zich vertrouwen in de Psalmist. Langzaamaan groeit het vertrouwen in een God die er is. De Aanwezige. Een God die niet wegloopt voor ons verdriet of voor
onze worstelingen. Een God die niet zijn oren dichthoudt, maar ze juist opent. Hij komt te hulp. Niet als een soort van superman die op precies het juiste moment uit de lucht valt om te redden. Nee, als degene die er altijd is. Als degene die was en is en komt. De HEER is koning voor eeuwig en altijd belijdt de Psalmist. Hij is te vertrouwen. Hij hoort en verhoort. Hij doet recht. Hij bemoedigt en luistert met aandacht. Zowel het grote en verhevene, het heilige van God de Koning voor eeuwig komt naar voren. Alsook het persoonlijke, de betrokkenheid, een luisterend oor en aandacht voor jou. Voor jouw specifieke situatie. Jaren na het schrijven van deze Psalm verscheurden woorden van pijn en angst de wereld toen het klonk: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ De hemel leek van koper toen Jezus stierf op Golgotha. God leek ver weg, zich te verbergen in deze tijd van nood. Maar wat een wonder toen bleek dat God bemoedigt en luistert met aandacht en het drie dagen later klonk: ‘Waarom zoeken jullie de levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is opgestaan’. God is de Aanwezige.