Psalm 39

Misschien herken je het beeld wel. Je bent op een feestje waar je in gesprek raakt met iemand die niet gelooft in God. En omdat jij wel gelooft mag je gaan uitleggen hoe dat nu zit met al het lijden in deze wereld. Als er een God is, waarom bestaan er dan alles vernietigende Tsunami’s? Waarom grijpt God niet in wanneer iemand ernstig ziek is? Waar is die God van jou eigenlijk?

En hoewel je een oprecht gelovig persoon bent, sta je dan soms wat te stamelen over de God van liefde, over dat het leven het van de dood zal winnen. Maar moet je tegelijk toegeven dat je ook alle antwoorden niet hebt.


In Psalm 39 proeven we ook zo’n setting. De psalmist is te midden van mensen die niet geloven die hem lijken te bestoken met allerlei vragen een aanklachten richting zijn God. En David… besluit te zwijgen. Want soms is het beter om stil te zijn dan om allerlei goedbedoelde argumenten aan te dragen voor het geloof die toch niet op waarde geschat zullen worden. Geen parels voor de zwijnen zou Jezus later zeggen.
In soortgelijke situaties, zoals voor Herodes, zweeg Jezus zelf ook. Want de vragen die Jezus kreeg en de vragen waar David mee geconfronteerd wordt, worden niet gesteld om God te leren kennen, maar om Hem te bespotten.

En dus zegt onze psalmist niets. Maar dan krijgen we een kijkje in zijn eigen hart. Want daar gebeurt een heleboel. En wat blijkt? David heeft zelf óók vragen. En die verdwijnen niet door ze weg te stoppen. Ze branden in zijn binnenste.

En opnieuw laten de psalmen ons zien dat ze er mogen zijn. En opnieuw tonen de psalmen ons wat we kunnen doen met die vragen. David brengt ze daar waar ze in alle vertrouwelijkheid en veiligheid gesteld kunnen worden, namelijk richting God zelf.

En de woorden die David dan gebruikt in zijn gebed tot God, lijken heel erg op de taal van Prediker. Lucht en leegte zegt Prediker. Of, in een wat oudere vertaling, ijdelheid. De herziene statenvertaling noemt het vluchtigheid en dat komt misschien nog wel het dichtst bij het Hebreeuwse woord dat gebruikt wordt door Prediker om het leven van een mens te omschrijven. Damp.

Ken je dat, zo’n ouderwetse fluitketel? Als je er water in kookt dan spuit de waterdamp uit het kleine tuitje. Damp, je kunt het zien, maar niet pakken en zodra je het vuur dooft is het weg. Niets meer van over.

Dat woord damp gebruikt de psalmist hier maar liefst drie keer om het leven van een mens mee te omschrijven.
In vers 5. Laat mij weten hoe vergankelijk ik ben.
In vers 6. Niet meer dan lucht is het bestaan van de mens.
En in vers 12 klinkt opnieuw: niet meer dan lucht is een mens.

Daar komt nog bovenop dat David zich niet alleen bewust is van de vluchtigheid maar ook van de gebrokenheid van zijn eigen leven. Hij erkent dat hij een zondig mens is en dat in ieder geval een deel van zijn leed daardoor als straf van God komt. Maar het verklaart niet al het lijden en dus zit David ook vol vragen.
Het is boeiend en misschien ook wel confronterend om in deze psalm te lezen dat de vragen van gelovigen vaak helemaal niet zo anders zijn dan de vragen van hen die niet geloven.

Het is daarom frustrerend maar óók heel krachtig dat deze psalm niet eindigt met een mooie one liner, een soort van alles oplossend vers dat we een volgende keer op een feestje in kunnen brengen. Nee, de vragen blijven fier overeind staan, zoals ze dat overigens ook doen in andere wijsheidsliteratuur in de bijbel, in boeken als Prediker en Job.

Maar midden in de psalm vinden we wel een belijdenis die we mee kunnen nemen in deze dag. Mijn hoop is alleen op U gevestigd.

Wanneer leerlingen van Jezus allerlei vragen krijgen en het moeilijk wordt om Hem te volgen, gaan er veel van hen weg. Jezus vraagt Zijn discipelen dan: willen jullie soms ook weggaan? Dan zeggen ze: waar zouden wij naartoe gaan. U spreekt woorden van eeuwig leven.

Zo wijst David ons IN zijn vragen de weg. We weten niet alles, we overzien ons vluchtige en kwetsbare leven niet, maar we weten wel dat we een God hebben met wie we al onze vragen kunnen delen. Die ons niet ziet als lucht of vergankelijke mensen. Maar als geliefde kinderen.
Een God die zich niet verre heeft gehouden van ons lijden, maar in Jezus vleesgeworden is en midden in ons lijden is gaan staan. Een God die huilde bij het graf van een vriend. Een God die ervoor koos te zwijgen tegenover kwaadwillenden.

Bij zo’n God mág je vragen stellen, twijfels delen, je zonden belijden. Bij God hoeven we geen mooi weer te spelen. Het gaat God om ons hart en wat daar leeft.
De Italiaanse theoloog en monnik Luigi Gioia zegt heel mooi dat ons gebed een gesprek is dat God met óns begonnen is. Hij weet al lang wat er leeft in ons hart.

Dus hou je niet in tijdens dat gesprek met je Hemelse Vader die je kent, doorgrondt en van je houdt. Of, zoals Petrus het zegt:
Werp al uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor U.